Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud
Alle bronnen

Generale Prins Willempolder, 1571-1941

1571 - 1941

Inleiding De Generale Prins Willempolder heeft een oppervlakte van circa 3255 hectare en behoort tot de afwateringsgebieden Nummer Een en Cadzand. De polder dankt zijn naam aan stadhouder Willem II. Met ingang van 1 januari 1942 werd de polder opgenomen in het Waterschap Het Vrije van Sluis en maakte daarin deel uit van het district Oostburg. Het geheel bestaat uit herdijkingen na inundaties aan het eind van de zestiende eeuw, als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). De polder bestaat uit een eerste en tweede gedeelte. Het eerste gedeelte kwam in 1650 tot stand (totaal 1050 hectare) en omvatte de voormalige polders: - Cathalijnepolder - Dierkensteenpolder (het zuidelijke gedeelte is ook wel bekend als de Bakkerspolder) - Oude Passageulepolder (noord) - Vrije Polder (noord) - Vijfhonderd-in-Beoosten-Eede (volgens Van der Aa werd deze polder toen al niet meer afzonderlijk genoemd, hij vermoedde dat het een aanhangsel van de Dierkensteenpolder was). Het tweede gedeelte van de polder werd bedijkt in 1650/1651. Door de inpoldering van het tweede gedeelte ontstond door de afdamming van de Brugsche Vaart de Nieuweveld- en Sint Philipspolder. In de nieuwe polder werd het nieuwe Schoondijke gevestigd. In het tweede gedeelte werden de voormalige polders Oude- en Nieuwe IJve ingedijkt. Op 13 maart 1654 werden beide delen gecombineerd tot één watering onder één directie. Na de combinatie tot een watering is de directie van de polder voortdurend in handen geblevenvan een college van dijkgraaf, gezworenen en hoofddirecteuren. Zolang de twee delen van de polder nog niet waren gecombineerd, vergaderden de twee besturen in hun directie- of zogenaamde 'heerenhuis', dat speciaal voor dit doel werd gebouwd. Volgens J. de Hullu moeten deze directiehuizen zeer eenvoudig van opzet zijn geweest (inv.nr 455, p. 3-15). Tot de Generale Prins Willempolder worden ook de Brugse Dijklanden gerekend, die waren gelegen tussen het eerste en het tweede gedeelte van de Generale Prins Willempolder. Door de bedijking van de Mauritspolder in 1614 en van de Oranjepolder in 1618 werd de verbinding van de Brugsche Vaart naar de Westerschelde aan de Oostzijde afgesloten. Dientengevolge verlandde de toen doodlopende Brugsche Vaart. Aan deze verlanding kwam een einde toen men 1652 een gedeelte van de Brugsche Vaart bij Oostburg afsloot met de zogenaamde 'Groote Dam'. Men noemde deze ingepolderde strook land 'de Brugsche dijklanden'. Het oostelijk deel kreeg de naam Sint Philipspolder en het westelijk deel werd de Nieuweveldpolder, beiden genoemd naar voormalige versterkingen, de redoute Sint Philip en het forte Nijevelt. Volgens van der Aa in 1847 worden de Brugsche-Dijklanden verdeeld in drie gedeelten: 1. de eigenlijke Brugsche dijklanden: dit zijn de landen die de stad Brugge in 1502 kocht om een vaart van het Zwin maar de ondergevloeide polders en de Schelde te graven (het Groote Gat) en waarvan Brugge jarenlang de schorren verpachtte. 2. het verdronken land Elmare ten Oosten van het fort Kaas-en-Brood. 3. de Boerenpolder, ten zuiden van Elmare. Naast de gewone bepalingen ten aanzien van de vrijstelling van belastingen bevatte deze ook nog een bepaling dat de geoctryeerden een vaart moesten maken van vier roeden wijd, lopend van de hoek van de Oranjepolder tot in het Coxysche Gat. Aanleg en onderhoud van de Vaart zou voor rekening komen van de geoctryeerden en deze werden ook verplicht twee sassen aan de Vaart aan te brengen.Op 23 maart 1651 werd bij wijze van ampliatie de verandering aangebracht dat de vaart vijf roeden breed moest worden (inv.nr 512). In de archiefstukken komt herhaaldelijk de naam Gaternisse (Gathernesse, Gasterne) voor, een voormalig ambacht dat zich uitstrekte over het grondgebied van de Henricuspolder, de beide delen van de Prins Willemspolder, de Oranjepolder, de Mauritspolder, de Zachariaspolder en een deel van de Hoofdplaatpolder. In de tiende eeuw werd er al gesproken over 'villa Isendic, in pago Gasterna, super fluvium Beverna'. De pagus Gasterna ging ten onder in de zware vloed van 1180. De naam kwam in gebruik voor een hoge heerlijkheid in bezit van een kerk en kasteel. Het kasteel lag vermoedelijk niet ver van Sasput. De heerlijkheid omvatte de noordwestelijke gedeelten van Generale Prins Willempolder tweede gedeelte en van de Oranjepolder en een gedeelte van de zuidgronden van de Hoofdplaatpolder. In 1377 inundeerde de heerlijkheid om in 1497 voor een gedeelte te worden herdijkt. De nieuwe bedijking had echter zwaar te verduren van het steeds overvloeiende water. De ingelanden voelden zich in 1539 genoodzaakt bij keizer Karel V te verzoeken om subsidie voor het onderhoud van de dijken (eventueel opgebracht door andere polders). In 1570 bezweek de polder onder de steeds aanhoudende druk van het water. Een gedeelte werd in 1617 (Oranjepolder), 1651 (Prins Willempolder), 1778 (de Hoofdplaatpolder) herdijkt.

Organisatie
Collectie
  • Archieven Zeeuws Archief
Type
  • Archief
Identificatienummer van Zeeuws Archief
  • 3556
Trefwoorden
  • Verkeer en Waterstaat
Disclaimer over kwetsend taalgebruik

Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief
De Oorlogsbronnen.nl nieuwsbrief bevat een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
WO2NETMinisterie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Vijzelstraat 32
1017 HL Amsterdam

info@oorlogsbronnen.nlPers en media
Deze website is bekroond met:Deze website is bekroond met 3 DIA awardsDeze website is bekroond met 4 Lovie awards