Pieter van der Meulen (21), geboren op 10 juli 1918 in Rijswijk, is bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bakker in de Zoutmanstraat 67 in Den Haag. Hij is gehuwd met de 23-jarige Gerda van der Heiden, met wie hij een zoontje van 3 jaar heeft. Tijdens de inval van het Duitse leger is hij als buitengewoon dienstplichtige militair actief bij de gevechten rond vliegveld Valkenburg. Omdat zijn vader pro-Duits is en wil dat hij dienst neemt bij de Waffen-SS probeert Pieter elders in Den Haag werk te vinden als bakkersknecht, maar dat lukt niet. Het arbeidsbureau stuurt de werkloze Pieter in september 1940 naar het Duitse Wesel, waar hij moet werken in de wegenbouw. Hij loopt daar weg en neemt de bus terug naar Den Haag, maar het arbeidsbureau dwingt hem terug te gaan. Hij gaat werken in een kabelfabriek bij Berlijn. Als hij weigert de Hitlergroet te brengen en daardoor ruzie krijgt met zijn chef, vlucht hij per trein naar Keulen. Daar verkoopt hij zijn bagage voor 100 Duitse marken en reist hij per trein door naar België, waarbij Duitse controleurs in de trein genoegen nemen met zijn verklaring dat hij in Frankrijk zijn verlof gaat doorbrengen. De trein brengt hem naar Charleroi; bij een groentewinkel koopt Pieter levensmiddelen en krijgt hij het adres van een trappistenklooster vlakbij de Franse grens, waar hij kan overnachten. Via Parijs en Dijon reist hij verder Frankrijk in. Een gids (ene ‘Poulet’) helpt hem de demarcatielijn over. In de trein richting Marseille ontmoet hij de Nederlander Beekmans, eveneens op weg naar Engeland. In Zuid-Frankrijk ondervinden ze veel oponthoud, onder meer doordat Franse gendarmes hen arresteren. Ze weten door een raam uit de gevangenis te ontsnappen en hun weg naar de Pyreneeën te vervolgen. Maar vanwege sneeuwval zijn ze gedwongen in het zuiden van Frankrijk te blijven. Ze worden er opnieuw gearresteerd en ditmaal geïnterneerd in een kamp bij de plaats Bedoux, waar zo’n 50.000 gevangenen verblijven. Via de riolering weten ze op 26 maart ’41 te ontsnappen. Door een rivier over te zwemmen bereiken ze de Pyreneeën. Zonder problemen arriveren ze in Spanje, maar worden daar door de Spaanse politie opgepakt. Na een verblijf in gevangenissen en kampen, onder meer in Pamplona, Irun en Hendaya, worden ze overgedragen aan de Duitse douane. Ze blijven uit handen van de Gestapo door te verklaren dat ze in Spanje werk wilden zoeken. Na een verblijf van veertien weken in gevangenissen in Biarritz en Bayonne komen ze op 29 juni ’41 vrij na de belofte dat ze naar Parijs zullen gaan. In plaats daarvan vinden ze onderdak bij het Leger des Heils. Met hulp van een Franse verzetsgroep slagen ze er alsnog in de Pyreneeën over te trekken. Op 2 augustus volgt hun arrestatie in Madrid, waar ze 35 dagen in een gevangenis moeten verblijven. Vervolgens worden ze naar het kamp bij Miranda de Ebro gebracht. Beekmans moet daar naar een sanatorium omdat hij tbc heeft. Na zijn vrijlating weet Pieter op 24 augustus 1941 een plek te bemachtigen op een boot die naar Jamaica vaart. Het duurt vervolgens tot 21 september 1943 voor hij per boot via Miami New York bereikt. Pas op 19 april 1944 arriveert hij in Liverpool. Zijn reis naar Engeland heeft bijna drieëneenhalf jaar geduurd. Pieter van der Meulen neemt per 16 mei 1944 dienst bij de Marine.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders