Hans Rolf de Jongh is op 21 oktober 1921 in Remscheid (Duitsland) geboren en krijgt een Duitse stiefmoeder. Als er oorlogsdreiging in 1939 toeneemt, moet hij in militaire dienst. Liever geeft hij zich op als oorlogsvrijwilliger. Hij wordt goedgekeurd voor de marine en in maart 1940 opgeroepen om zich op 17 mei in Rotterdam aan te melden. Als de Duitsers binnenvallen, woont hij in Eindhoven. Hij klimt op zijn fiets en gaat naar Zeeland. Bij Domburg wordt hij aangehouden en, bij gebrek aan gevangenis, opgesloten in de kerk. Als de Duitsers twee dagen later naderen, wordt hij vrijgelaten. Met zijn fiets gaat hij naar Vlissingen en daar kan hij nog net met de laatste veerboot naar Breskens oversteken. Met andere militairen, die hij daar aantreft, probeert hij de Belgische grens over te gaan, maar daar worden ze niet toegelaten. De volgende dag openen ze zelf de slagboom en gaan ze toch de grens over. In Duinkerken blijkt het niet te lukken om naar Engeland te gaan (de Engelsen krijgen voorrang) zodat hij met een groep besluit het ergens anders te proberen. Ze gaan naar België terug en overnachten in St Idesbald, maar daar zijn geen boten meer beschikbaar. Aangezien de Duitsers daar de volgende dag verwacht worden, willen ze vroeg vertrekken. Om 07:00 uur rijdt generaal Rommel het dorp binnen. Hij rijdt naar Hotel des Dunes, waar Belgische, Franse en Nederlandse officieren hun hoofdkwartier hebben gevestigd. Om 11:00 uur meldt Rommel aan de Nederlandse militairen dat de oorlog voorbij is. Met 4 anderen krijgt De Jongh een lift naar Nederland. Om 13:00 is hij weer in Eindhoven. Hij vindt een baan en gaat in het verzet. Ook gaat hij naar een avondschool. Daar raakt hij bevriend met Fred Monnickendam. Samen maken ze plannen om naar Engeland te gaan. In maart 1941 vertrekken ze maar ze worden bij Coulmier gearresteerd door Duitse soldaten die denken dat zij Engelse piloten zijn. De volgende dag worden zij met de auto naar Montbard gebracht. Als de Feldwebel, die naast hem op de achterbank zit, de naam van De Jongh ziet, vraagt hij of De Jongh ooit in Duitsland gewoond heeft. Het toeval wil dat de ouders van Hans voor de oorlog boven de delicatessenzaak van de vader van de Feldwebel in Remscheid woonden. De volgende dag worden ze met de trein naar Dijon gebracht waar de Gestapo hen verhoort. De Engelandvaarders doen alsof ze alleen maar werk zoeken, eventueel in Duitsland, en worden een week later vrijgelaten op voorwaarde dat ze de volgende ochtend naar het Duitse arbeidsbureau aan de Rue Transvaal 47 gaan. Het Franse verzet brengt ze over de demarcatielijn. Op 10 april 1941 melden ze zich in Orange bij de Nederlandse consul, een Fransman, die hen niet kan helpen. Dan besluiten ze zich op te geven bij het vreemdelingenlegioen. Ze krijgen een maaltijd, onderdak en een treinticket naar Marseille. Daar zijn ze de enige Nederlanders in het kamp. De volgende dag melden ze zich bij de consul, die hen wat geld geeft. Ze gaan weer naar het kamp; ze horen dat ze hun Nederlandse nationaliteit nu kwijt zijn en worden als Zweden geregistreerd. Tien dagen later, op 23 april 1941, deserteren ze. De volgende dag geeft het consulaat hen geld en nemen ze de trein naar Toulouse. Consul van Dobben stuurt hen door naar Lafourgette, waar meer Engelandvaarders verzameld zijn. Een groep van 20 mannen wil met een afgedankte bommenwerper naar Engeland gaan, dus zij zoeken een piloot. Hans gaat naar Maison Mazard in El Soler, waar Erik Plesman met 5 Engelandvaarders verblijft. Plesman heeft echter net zijn Spaanse doorreisvisum gekregen en voelt er niets voor. Hans blijft in El Soler, Fred komt daar na enkele dagen ook aan. Omdat er geen Spaanse doorreisvisa meer worden afgegeven, gaat Hans terug naar Zwitserland, Fred blijft in El Soler. Op het consulaat in Bern ontmoet hij consul van der Aalst en ook Dolf Schiff (1921) en Johan 'Jan' van Wijngaarden (1922), die beiden 2 dagen eerder uit El Soler vertrokken. Ze krijgen een paspoort waarop ze allen drie jaar jonger zijn (geen militair-leeftijd), hetgeen het gemakkelijker moet maken om een doorreisvisum te krijgen voor Spanje. In een geblindeerde trein gaan ze door Vichy-Frankrijk naar Perpignan, waar hij Joop Kolkman even op het station spreekt en hem uitlegt hoe men de Zwitserse grens over kan steken. Dan gaan ze via Barcelona naar Madrid. Ze worden door het gezantschap in Hotel Internacional ondergebracht, en krijgen voedselbonnen en geld voor kleren. Met de trein gaan ze naar Sintra das Maças, waar Henk van Gelder en Heim Roet zich bij hen voegen. Via Gibraltar gaan ze met de ss Linster in konvooi naar Liverpool. Hij wordt verhoord op de York Racebaan, waar tijdelijk nog 7 Nederlanders gevangenen worden vastgehouden. Op 20 oktober 1941 worden ze naar Wolverhampton gebracht. Daar viert hij zijn 20ste verjaardag. In Genève heeft consul Van Elst hem een boek meegegeven, bestemd voor premier Gerbrandy. Hans krijgt toestemming om het boek in Londen af te leveren. Terug in Wolverhampton wordt hij weer naar Londen gestuurd o zich te melden bij het hoofdkwartier van de Nederlandse Marine bij Marble Arch. Omdat hij goed Duits spreekt, wordt hij uitgeleend aan de Britse Marine. Omdat hij 10 dagen zeeziek was op weg naar Engeland, wil hij niet bij de Marine blijven. Toch wordt hij voor training naar Schotland gestuurd, waar hij de enige Nederlander blijkt te zijn. Later wordt hij overgeplaatst naar de inlichtingendienst in Bletchley Park. In Oranjehaven wordt hem aanbevolen contact op te nemen met prins Bernhard, hetgeen ertoe leidt dat hij naar de luchtmacht wordt overgeplaatst. Hij wordt weer aan de marine toegewezen. Aan boord van de HNMS Gruno blijkt hij de enige met een onderscheiding te zijn. De Gruno begeleidt regelmatig een konvooi. In de herfst van 1943 gaat het schip naar Chatham. Eind 1943 geeft hij zich op voor een marinierstraining in Camp Lejeune. De Queen Elisabeth komt op 28 december in New York aan. Ze krijgen drie dagen verlof. In de trein naar zijn neef ontmoet hij iemand die zijn naamgenoot kent, een neef. In 1980 heeft hij opnieuw Maison Mazard bezocht, waar hij door Kolkman was ondergebracht voordat hij de Pyreneeën over ging.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders