Jacobus (Koos) Johannes Maria Lips is op 8 april 1919 in Dordrecht geboren. Als de oorlog uitbreekt, studeert hij werktuigbouwkunde in Delft. Hij vindt 'de onrechtmatige bezetting van ons vaderland door de Duitsers, en alle wetteloosheid en alle gruweldaden die daaruit voortvloeien' reden om te proberen naar Engeland te gaan: "de gemene en mensonterende behandeling door een Duitse officier van een eenvoudige fietser, die naar zijn mening niet genoeg rechts hield in het verkeer, zodat zijn militaire vrachtauto niet vlug genoeg kon doorrijden; dit voltrok zich in Den Haag voor mijn ogen." Lips vervolgt: "Twee plannen hadden mijn medestudent L. Akkermans en ik al gemaakt voordat we onze tocht over land ondernamen: een oversteek over de Noordzee met een motorbootje, maar dit werd ons door ter zake kundigen ontraden: zoiets was niets voor mensen die niet met varen en navigeren vertrouwd waren. Voorts: het dienst nemen als matroos op een kustvaarder, zoals ze regelmatig vanuit Delfzijl naar Zweden voeren, en dan vanuit Zweden naar Engeland. Akkermans kreeg contact met een pater Kruisheer, die als wederdienst bedong dat wij een Joodse jongeman mee tot Parijs zouden nemen; we zouden dan, zo zei hij, best in twee ploegen van twee gaan: Akkermans met de jongeman (die vloeiend Frans sprak) eerst, een week later ikzelf met de door mij intussen voor dit plan gewonnen Stanny van Waesberghe uit Hulst, die vanwege zijn Belgische moeder ook vloeiend Frans sprak. De pater kon ons begeleiden naar het volgende adres van een vluchtlijn in Brussel. We besloten op dit voorstel in te gaan. Het moeilijke punt voor mij was: moest ik mijn ouders van dit plan op de hoogte brengen? Ik was ervan overtuigd, dat ze het een te fantastisch plan zouden vinden, temeer daar juist een groepje van 3 Dordtse jongens (onder hen Herman Weijers, een buurjongen) van zo’n tocht was teruggekeerd; ze waren gearresteerd, maar een Duitse officier had begrip voor hun expeditie en hen vrijgelaten op voorwaarde dat ze verder nooit meer iets tegen de Duitse overheid zouden ondernemen. Voorts overwoog ik, dat mijn ouders na mijn verdwijnen door de Duitsers ondervraagd zouden kunnen worden, en dat het dan voor hen gemakkelijker zou zijn vol te houden dat ze van mijn plannen onkundig geweest waren. Ik besloot dus niets aan hen mede te delen, in tegenstelling tot Stanny, die alleen nog zijn moeder had en die nog de enige thuis was; hij overlegde met zijn moeder en deze moedigde hem aan weg te gaan, want als Belgische wist ze maar al te goed wat een Duitse bezetting op den duur voor jonge mensen betekende: gedwongen arbeid in Duitsland. Ik schreef een brief aan vader en moeder waarin ik mijn onderneming motiveerde en tegelijkertijd afscheid nam. Deze brief verborg ik achter het portret van koningin Wilhelmina, dat in de gang hing en daar heel de oorlog is blijven hangen. Verder schreef ik een kort briefje: 'Kijk achter het portret van de Koningin', en op de bewuste ochtend, 12 december 1941, ging ik, zoals gewoonlijk om 7 uur per fiets de deur uit, zogenaamd naar de fabriek, maar in werkelijkheid naar het station, waar ik de fiets stalde. Het is een van de zwaarste ogenblikken van mijn leven geweest." Zonder veel problemen bereiken ze Spanje, maar daar worden ze door de Spaanse politie gearresteerd en naar een kamp gebracht. Pas in de loop van 1943 komt Koos vrij. Op 29 augustus arriveert hij in Engeland waar hij wordt toegewezen aan de Prinses Irene Brigade. Op 16 augustus 1944 raakt Koos in Normandië tijdens een gevecht met Duitsers gewond. Na een week in een hospitaal trekt hij met de brigade verder richting de Nederlandse grens.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders