Jacob (Jaap) Cornelis Jongeneel, op 30 mei 1922 in Buitenzorg als enige zoon geboren, hij heeft twee zusters. Zijn vader is advocaat en hoofd vertegenwoordiger van de KPM. In 1930 is hij met pensioen gegaan, waarna het gezin naar Nederland is verhuisd. Ze wonen een jaar aan de Rusthoeklaan in Scheveningen, daarna wordt Jaap naar een internaat in Zeist gestuurd terwijl zijn ouders een wereldreis maken. Daarna wonen ze aan de Valdelpiemandlaan 3 in Baarn. Jaap gaat naar het Baarns Lyceum maar doet eindexamen op het Nieuw Lyceum in Hilversum. Hij is goed in tennis en zit in het Junior David Cup Team. In 1939 gaat hij naar de Koloniale Landbouwschool in Deventer. Hij woont een jaar op kamers bij dhr. Zeilstra, de directeur van de school, neemt er deel aan het studentenleven, hockeyt, tennist en bouwt er vriendschappen op. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, wordt Zeilstra, die vrijmetselaar is, afgezet. Jaap gaat elders op kamers wonen. Met zijn kamergenoot Jaap Lambregtsen zet hij een verzetsgroepje op dat in jeugdige overmoed 'sabotagedaden' pleegt. Ze knippen telefoondraden door en prikken banden van Duitse auto's lek. Toch lopen ze tegen de lamp. Als Joden vanaf 29 aptil 1942 worden verplicht de davidster te dragen, knippen ze uit geel karton honderden sterren, waarop ze 'bakker', 'slager', 'student' schrijven. Het is de bedoeling dat vele Deventenaren als protest deze sterren zullen dragen. Met ongeveer 30 studenten wordt hij opgepakt en met tien medestudenten afgevoerd naar kamp Amersfoort. Kaalgeschoren en in een oude militaire plunje moeten ze puin sjouwen. Alle gevangenen krijgen een ster - zwarthandelaren een zwarte - hij een half gele/half rode, die stond voor 'Jodenvriend' en 'Reichsfeindlich'. De omstandigheden zijn erbarmelijk, zo’n vierhonderd gevangenen in één barak met slechts twee wc’s. Jaap krijgt dan ook dysentrie en steenpuisten en bij de minste overtreding worden ze halfdood geslagen. Als na drie weken blijkt dat hun demonstratie geen georganiseerd verzet, maar slechts een studentenactie is geweest, worden ze plotseling naar huis gestuurd met de opdracht daar te blijven. Thuis herstellend van ziekte en verwondingen neemt Jaap hier en daar clandestien een baantje. Ook probeert hij vervolgcursussen te doen. Dat is een risico, omdat de toegang tot de school hem is ontzegd. Hij moet halsoverkop door de achteruitgang vluchten als er onverwacht Duitsers komen controleren. Niet veel later krijgt hij een brief, waarin hij wordt verplicht zich bij de Duitse politie te melden. Dat is voor hem het sein om onder te duiken. Hij gaat naar zijn oudere zus in Eindhoven, waar hij een aantal maanden verblijft. Vervolgens naar zijn vriend Co Vink in Moergestel. Met hem werkt hij een plan uit om het land te verlaten. Ze komen in contact met Walter Furgler, een merkwaardige figuur: een Zwitser in dienst bij de Wehrmacht, al draagt hij nooit een uniform. Furgler woont met zijn maîtresse in hotel “De Swaen” in Oisterwijk, waarin ook de Ortscommandantur is gevestigd; hij heeft veel bewegingsvrijheid. Furgler heeft het vertrouwen van de groep en na enig gesjacher wordt hij bereid gevonden Jaap en Co mee naar Parijs te nemen. Ze worden voorzien van, door een heuse generaal ondertekende, papieren als 'Kraftfahrer' en Jaap krijgt de schuilnaam 'Jacques Jonguenel', met Duinkerken als zogenaamde woonplaats. Op 21 oktober 1943 vertrekken ze in een Wehrmachttrein naar Parijs. Vanaf Parijs reist hij met de 18-jarige Bob Eyken Sluyters. Ze trekken ze de Pyreneeën over en worden op 7 november in Spanje gearresteerd en verhoord, waarbij Jongeneel jokt dat hij 19 jaar is i.p.v. 21. Ze zijn te jong om naar Kamp Miranda gestuurd te worden. Na een 6-weeks verblijf in 2 résidences forcées komt hij in Madrid aan. Daar moet hij enkele dagen in de catacomben van het hoofdkantoor van politie op de Puerto del Sol zitten. Hij gaat via Portugal naar Gibraltar en bereikt Engeland op 16 maart 1944. Op eigen verzoek wordt hij toegewezen aan de Koloniën. Op 14 april treedt hij in dienst. In Engeland wordt hij Jim genoemd. In 1945 verblijft hij in Camp Columbia, het KNIL hoofdkwartier in Brisbane, dat eind oktober wordt opgeheven. De hele NEFIS gaat met de ss Van Heutz naar Java. In Batavia worden ze ondergebracht in het voormalige Java Hotel, waar de commando’s worden opgeheven. Na de oorlog woont hij in Darien, waar hij zich James noemt. Op 17 juni 1996 heeft hij gedurende 1 mijl de Olympische fakkel mogen dragen.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders