
Bree, C.J.P. de
’10 november ’44 werden alle mannen van 17 t/m 40 jaar meegenomen voor het verrichten van werkzaamheden,’ schrijft de in 1915 geboren Schiedammer C.J.P. de Bree in een verslag gemaakt tijdens de reis en het verblijf in Duitsland, na de razzia van Rotterdam en Schiedam in november 1944. ‘Ik werd om 5 uur uit huis gehaald en moest mij aansluiten bij een rij mannen bij de kerk. Wij werden naar een loods in de Lekhaven gebracht. Na een nacht daar gestaan te hebben vertrokken wij om 3 uur: via Overschie liepen wij onder het geschiet en geschreeuw van Duitse militairen naar Delft.’ Op donderdagavond 16 november om 11 uur arriveren de ongeveer 200 mannen in Braunschweig: ‘Doodmoe, uitgehongerd en halfbevroren.’ Als hulp-bouwvakarbeiders wordt men ingedeeld bij een firma in dienst van de Deutsche Reichsbahn: ‘Het werk was zwaar en koud, beton maken, zandlossen uit wagons, stenen lossen etc.’ Men overnacht in ‘een kamer van 24 man, 2 boven elkaar in kribben op stroomatrassen’ in een barak. ‘Ons verlangen naar hen die ons lief waren was groot. Werk was een goede afleiding. Overdag en ’s nachts hadden we veel luchtalarm, gelukkig geen aanval op Braunschweig.’ Op 23 januari 1945 hoort De Bree dat hij weer naar huis mag. Op zaterdagochtend 27 januari is hij terug in Nederland: ‘Via Nieuwerkerk, Rotterdam naar Schiedam gelopen. Ongeveer 5 uur kwam ik bij Jeanne binnen. Welke de vreugde haast niet kon verwerken. Nadat ik ook door mijn ouders hartelijk verwelkomt was werd ik heerlijk verwend door Moe. Jeanne blijft bij ons slapen en eten tot maandagmorgen toe, wat erg fijn was na zo’n lange afwezigheid. Mijn voeten had ik kapotgelopen maar waren weer spoedig genezen.’ Na 11 weken afwezigheid meldt De Bree zich op maandag 5 februari gewoon weer op zijn werk bij GAB Schiedam.
- Bree, C.J.P. de
- Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek
- 244-2123
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer




